vrijdag 7 maart 2008

De Gouden Eeuw

De Gouden Eeuw was een periode in de Nederlandse geschiedenis, en dan met name van de noordelijke zeven Verenigde Provinciën, waarin de Nederlandse handel, wetenschap, kunst en militaire macht een toppositie in de wereld innamen.
Deze periode komt ruwweg overeen met de 17e eeuw. Sommigen houden als beginpunt het jaar 1602 aan, het jaar waarin de VOC opgericht werd. Anderen kiezen hiervoor het jaar 1609, het beginjaar van het Twaalfjarig Bestand. Na het rampjaar 1672 begon een periode van economische neergang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen.



Rijkdom
Nederland nam in de 17e eeuw een absolute toppositie in de wereldhandel in. De bloeiende handel leidde tot een grote en zeer rijke klasse van kooplieden. De nieuwe voorspoed leidde ook tot meer aandacht voor en sponsoring van beeldende kunsten, literatuur en wetenschappen.

Tolerantie
Nederlanders zijn van oudsher internationaal georiënteerd geweest. Dit kan voor een deel verklaard worden uit hun afhankelijkheid van buitenlandse handel en goede buitenlandse betrekkingen. Men was ook zeer tolerant ten opzichte van minderheden en had respect voor minderheidsbelangen. Deze nationale karaktertrek kan op zijn beurt weer bijgedragen hebben aan een andere, namelijk tolerantie jegens minderheden en respect voor minderheidsbelangen.
Men kan ook stellen dat de reformatie heeft bijgedragen aan een over het algemeen milde opstelling ten opzichte van andersdenkenden.
Protestanten stellen dat de interpretatie van de Bijbel vooral een kwestie van het eigen geweten van ieder individu is, en verwerpen centrale dogma's en een klerikale hiërarchie om deze te bekrachtigen. Dat nam niet weg dat de gereformeerden in de Gouden Eeuw een machtspositie innamen gelegitimeerd door de Staat (Synode van Dordrecht) en het andersdenkende protestanten moeilijk of onmogelijk maakten volgens andere opvattingen religie te bedrijven.
Of het hier ging om de bijna spreekwoordelijke Nederlandse tolerantie of om een vorm van onverschilligheid, in ieder geval maakte dit het buitenlanders makkelijk om naar de Lage Landen te reizen of zelfs te emigreren (vaak als vluchteling). De Nederlanders in de Gouden Eeuw bleken echter in bepaalde opzichten helemaal niet erg verdraagzaam, zoals ten opzichte van varianten op het 'officiële' gereformeerde geloof. De vrijzinnig georiënteerde doopsgezinden, remonstranten en mennonieten bijvoorbeeld werden vervolgd, kregen strenge beroepsverboden en moesten soms zelfs emigreren. Joden in Nederland konden geen lid worden van de gilden, konden geen poorter worden en mochten niet trouwen met niet-Joden. Toch was er relatief veel vrijheid in de Nederlanden en werden een aantal Nederlandse steden een sociale 'smeltkroes'.

Zelfbewustzijn
De Tachtigjarige oorlog (1568-1648), die vrijheid van godsdienst en politieke zelfstandigheid als inzet had, mondde uit in een volledige onafhankelijkheid van de protestantse noordelijke provincies. Reeds in 1609, toen Nederland en Spanje een wapenstilstand sloten die 12 jaar zou standhouden, was veel van dit alles bereikt. De politieke vrijheid leidde ook tot vrijheid in andere domeinen en dit zorgde voor een openheid ten opzichte van nieuwe culturele en wetenschappelijke ideeën.

Handel en nijverheid
Gedurende een groot deel van de 17e eeuw domineerden Nederlanders de wereldhandel, een positie die daarvoor in mindere mate was ingenomen door de Portugezen en de Spanjaarden, en die later zou overgaan in handen van de Engelsen. Specerijen werden in grote hoeveelheden geïmporteerd en leverden grote winsten op, enerzijds door de grote inspanningen die geleverd moesten worden en dito risico's waar deze mee gepaard ging, anderzijds door de niet te verzadigen vraag naar deze producten. Specerijen werden namelijk gebruikt voor het maskeren van de smaak van overrijp en bedorven voedsel.
In 1609 werd de Beurs van Amsterdam opgericht die, samen met de in hetzelfde jaar opgerichte Amsterdamsche Wisselbank, van deze stad spoedig het financiële centrum van Europa zou maken.De financiële infrastructuur van de Nederlanden was gunstig voor het vormen van een handelsnatie. Anders dan in andere landen, waar de adel de vermogens en het bestuur monopoliseerde en op de handel neerkeek, was er in Nederland veel kapitaal beschikbaar voor ondernemingen. De beurs, een vrij efficiënt bestuur, de bereidheid van de bankiers om risico's te nemen en een landsbestuur dat niet neerkeek op de handel, maar die juist stimuleerde, zorgden voor een voor Europa uniek investeringsklimaat. Andere naties werden in deze tijd bestuurd door aristocraten die vooral in kastelen, jacht en oorlogen waren geïnteresseerd en hun land daarbij ruïneerden.



Ook het Nederlandse industriële potentieel nam toe. Scheepswerven en suikerraffinaderijen zijn daarvan goede voorbeelden. De haringvangst was een zeer belangrijke bron van inkomsten. Naarmate meer land in productie werd genomen (deels door het inpolderen van een aantal meren) namen de graanproductie en veehouderij in belang toe.
Ook de prominente rol die Nederland zou gaan spelen in de slavenhandel was reeds in de maak. Handelsroutes voor slaven liepen in de 17e eeuw vooral via Elmina naar Brazilië en de Caribische eilanden.

Verstedelijking
De bijzondere positie die de Nederlanden in de 17e eeuw innamen is des te verwonderlijker als men bedenkt dat het aantal inwoners van de Verenigde Provinciën nooit boven de twee miljoen is uitgekomen. Een opvallend aspect van de noordelijke Lage Landen was de hoge graad van verstedelijking. Het merendeel van de inwoners leefde in het westen, in het gewest Holland (het huidige Noord- en Zuid-Holland). Daarvan leefde ongeveer de helft in een stad, in Holland met name in Amsterdam, Leiden, Haarlem en Delft, daarbuiten waren Middelburg en Utrecht de grootste steden. Deze verhouding tussen stedelingen en plattelandsbewoners was voor die tijd uitzonderlijk: in omringende landen woonde slechts vijftien tot twintig procent van de mensen in een stad.
Dit is des te opmerkelijker als men bedenkt dat ruim twee eeuwen eerder, aan het eind van de 14e eeuw, slechts drie steden in ditzelfde gebied meer dan 10.000 inwoners hadden en dat de bevolking toen nog voornamelijk in het midden en oosten van het land woonde. De grote bevolkingsaanwas in het westen was mogelijk gemaakt door de waterbouwkundige werken, die vanaf de 13e eeuw op ongekende schaal zijn uitgevoerd: landaanwinst aan de kust, indijking van rivieren en inpoldering. Ook de geleidelijke overgang van graanbouw op veeteelt had een rol gespeeld bij de trek naar de steden. Naarmate meer graan werd geïmporteerd verschoof het accent naar de minder arbeidsintensieve veeteelt.



Cultuur
De Lage Landen maakten in de 17e eeuw een culturele ontwikkeling door die zich onderscheidde van omringende landen. Zo zou de barok weinig invloed doen gelden. De overdadigheid van de barok paste niet bij de strengheid van de merendeels calvinistische bevolking. De burgerij vormde de drijvende kracht achter de nieuwe ontwikkelingen. Waren het in andere landen vooral rijke aristocraten die beschermheer van de kunsten werden, in de Lage Landen was hun bescheiden aantal er debet aan dat deze rol overgenomen werd door rijke kooplieden en andere patriciërs. Centra van culturele activiteit werden gevormd door schutterij en rederijkerskamers. De primaire taak van de schutterijen was het verdedigen van een stad in tijden van nood en het uitvoeren van politietaken, maar daarnaast vormden zij een ontmoetingsplaats voor mensen uit de gegoede middenklasse, die er met trots een prominente positie bekleedden en er een behoorlijk bedrag voor over hadden om dit voor het nageslacht vast te laten leggen. De rederijkers vormden verenigingen (kamers) in de steden, die tot doel hadden literaire activiteiten te organiseren, zoals dicht- en toneelkunst en debatten, vaak in de vorm van wedstrijden. De steden waren trots op hun rederijkerskamer en ondersteunden deze.

Literatuur
In de 17e eeuw verplaatste het centrum van literaire activiteit zich van de zuidelijke naar de noordelijke Nederlanden. Dit werd deels veroorzaakt doordat veel kunstenaars en intellectuelen tijdens de Tachtigjarige Oorlog de Spaanse overheersers ontvluchtten, met name na de val van Antwerpen in 1585.

Verhaallijnen werden ontleend aan de Bijbel en de vaderlandse geschiedenis. Het bekendste stuk uit deze tijd is de Gijsbrecht van Aemstel, in 1637 geschreven door Joost van den Vondel. Het stuk is gesitueerd in het Amsterdam van rond 1300 en verhaalt van de rampen die de stad in haar bestaan bedreigden na de dood van Floris V. De Gijsbrecht werd eeuwenlang jaarlijks op nieuwjaarsdag in Amsterdam opgevoerd, een traditie die tot 1968 stand hield. Meer dan andere kunstvormen zou de literatuur door de barok beïnvloed worden. Naarmate de 17e eeuw vorderde nam het niveau van de literaire productie af. Schrijvers begonnen hun voorgangers te imiteren. Ook werden literaire stijlen steeds meer geformaliseerd. De vermaardste literatoren van de 17e eeuw waren Gerbrand Adriaenszoon Bredero, Jacob Cats, Pieter Corneliszoon Hooft en Joost van den Vondel.

Geen opmerkingen: